Max Euwe riep uit: ‘Nou, meneer Woldring, u zult niet licht vergeten worden!’

We hebben het over de periode 1979-1981. Toentertijd was de Rotterdammer prof. dr. Max Euwe voorzitter van het curatorium (lees: de Raad van Commissarissen) van het op dat moment nog in Rotterdam gevestigde Nederlands Talen Instituut, het NTI. Daar mocht ik dankzij mijn talenstudie (Duits; niet afgemaakt) cursusmateriaal ontwikkelen. En mocht ook weleens aanschuiven bij het opstellen van examenvragen. Eén keer werd ik bij een overleg gevraagd om mijn mening over ingediend huiswerk te geven in aanwezigheid van, jawel, Euwe. Dat was dus mijn kennismaking. Ik herinner me nog hoe hij me vorsend aankeek, van achter zijn brillenglazen. En dat hij me na afloop kort bedankte voor mijn bijdrage aan het overleg. Ik herinner me van de inhoud daarvan eerlijk gezegd niets. Maar wat ik wél weet is dat mijn baas mij ter plekke heel charmant charterde voor het met mijn auto thuisbrengen van de professor. En dat leidde tot mijn eerste en enige echte gesprek, dat die eerste keer helaas beperkt bleef tot het uitwisselen van ervaringen met… kleine Japanners. Mijn automobiel was er zo eentje: een Datsun Cherry 100A, waar de hooggeleerde ex-wereldkampioen alleen schuin liggend-zittend op de achterbank enigszins comfortabel een plaatsje kon vinden. Gelukkig duurde die rit hooguit een kwartier; een tijdsbestek waarin ik mijn gesprekspartner nog net kon vertellen dat ik ook graag schaakte en een paar van zijn partijen had nagespeeld. ‘Interessant!’, mompelde hij, hoffelijk als naar ik later begreep altijd – maar daar is het jammer genoeg ook bij gebleven.

Ik heb dus nimmer met de toenmalige FIDE-voorzitter mogen schaken. Evenmin heeft hij mij ooit zien spelen. Maar waar slaat zijn uitroep in de kop dan op? Nou, dat zit zo. In 1980 werd de jaarlijkse docenten-bedankdag gehouden ergens in Zuid-Holland, met meer dan 200 aanwezigen. Er was bij het afsluitende diner een tafel speciaal voor het curatorium en de directie, plus enkele veelbelovende, communicatief begaafde stafmedewerkers. Jullie raden het al: ik was een van hen. En mijn moment of glory? Dat kwam bij de afsluitende koffie, toen ik de professor – op dat moment mijn overbuurman – wilde ontzorgen door met een strooier suiker aan zijn koffie toe te voegen. Echter, de een of andere onverlaat had het tuitdekseltje ervan losgeschroefd, en dat viel toen ik vooroverbuigend met strooien begon precies, plus de inhoud, in het kopje van Euwe. Onvoorstelbaar wat dat teweegbracht: een hele hoop spetters, die deels op de kleding van de mensen aan tafel kwamen – en inderdaad het meeste nog op het colbert van Euwe. Vandaar zijn uitroep. Gelukkig voor mij (en mijn werkgever) vatte iedereen, Euwe incluis, het gebeurde sportief op. Wel ben ik er sindsdien enkele malen met het voorval geplaagd, maar ik heb er geen trauma aan overgehouden!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *