Zomerschaak in de bieb

Beste schaakvrienden,


Hoe hebben jullie de hittegolf doorgemaakt? Ik heb mij heel rustig gehouden en heb mij zo weinig mogelijk fysiek ingespannen. Dus veel gelezen en schaakpuzzels gedaan. En vast nagedacht over mijn volgende stukje voor de schaaksenatoren op de site van SV Voerendaal. Doorgaans bestaat dat uit de uitslagen van de onderlinge wedstrijden, de stand in de puzzelcompetitie en soms een schaaktechnische bijdrage. Maar omdat ik toch de tijd had, dacht ik na over mijn schaakmaandagmiddagen en of het al eerder zo heet is geweest. En zo kwam ik op het volgende, een gebeurtenis van enkele jaren geleden. Tot nu toe ongepubliceerd.


Ook een aantal jaren geleden was het in de zomer warm, heel warm. Omdat ik op een lagere school in Amsterdam-Zuid heb gezeten, de Daniël Schutschool, waar o.a. veel aan voordrachtskunst werd gedaan, declameerde ik luidkeels de volgende toepasselijke versregels:


’t Was een dag van grote hitte,
En de lucht was drukkend zwaar.


Wie heeft die regels gedicht, vroeg Albert Stoelhorst, een helaas veel te vroeg overleden schaak-vriend. Ik dacht aan Hendrik Tollens, vanwege de volgende dichtregels:

Triomf, triomf! Hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!


Ik kijk het even in mijn telefoontje na, zei Albert. Wat bleek: het gedicht was helemaal niet van Tollens, maar van E. Laurillard. Hij was van 1857 – 1862 predikant te Leiden en te Amsterdam van 1862 -1904. De eerste twee versen van het gedicht luiden als volgt:


Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

In een diligence zaten
Negen mensen bij elkaar;
’t Was een dag van grote hitte,
En de lucht was drukkend zwaar.

Alles, wat die mensen zeiden,
Kwam zowat op ’t zelfde neer:
Niemand hunner sprak tenminste
Anders dan van ’t warme weer.


En dat gaat zo maar door. Een lezersreactie leert dat dit gedicht in andere tijden op lagere scholen klassikaal geleerd werd, waarbij steeds een vers door een andere leerling voorgedragen werd.

Laurillard was een geestig man. Een ander clubje, een leesclub dat al sinds 2006 bestaat en waarvan ik tot de oprichters behoor, kan het wel doen met zijn volgende gedicht: 


Maatschappij van onderlinge verzekering tegen roemloosheid

Heeft een der leden van de club
Zijn letterkundig ei gegeven,
Dan wordt door ’t kakelen van de rest
Op schelle toon zijn lof verheven;
En, legt nu elk om beurt een ei,
En kakelen beurt’lings al de vrinden,
Dan is – dat voelt ge – in heel de club
Geen enkel roemloos lid te vinden.


Jammer dat Laurillard geen schaker was. Als ik een goeie bui heb ga ik dit gedicht transformeren.

Groet, Fredje

meer artikels